Loonwerkers kunnen veehouders helpen

Loonwerkers worden steeds meer een adviseur van de veehouderij, dat bleek tijdens de themabijeenkomst 'Hoe word de loonwerker een betere gesprekspartner voor de melkveehouder’ georganiseerd door Vruchtbare Kringloop Noord-Nederland. De loonwerker kan steeds meer een adviseur worden, want door onderzoeken komt er steed meer kennis beschikbaar. Loonwerkers kunnen veehouders helpen zodat zij hun voordeel doen met deze kennis op hun eigen gras- en maisland.  

Binnen het project Vruchtbare Kringloop Noord-Nederland krijgen loonwerkers de kans om nog meer kennis te vergaren over de verschillende onderwerpen. In totaal kunnen er drie themabijeenkomsten georganiseerd worden gelijk aan de themabijeenkomst zoals die werd gegeven bij de Dairy Campus. Daar bleek dat er nog voldoende vragen zijn om te beantwoorden. “Hoe kan ik met de melkveehouder meedenken?”, “Wat wordt van boeren verwacht qua teelt en eiwit van eigen grond?” en “Welke wetgeving geldt op het gebied van bodembeheer?” zijn vragen die Bert Philipsen, onderzoeker bij Wageningen UR, te horen kreeg aan het begin van de themabijeenkomst. Hij bevestigt dat loonwerkers steeds meer een adviseur voor de melkveehouders worden. “Op basis van data verkregen via grond-, mest- en kuilmonsters en opbrengstmetingen die jullie doen, kun je klanten teeltadviezen geven.”

Waarom zoveel aandacht voor eiwit?

Van melkveehouders wordt verwacht dat ze 65 procent eiwit van eigen land halen, zegt Philipsen. Waardoor de vraag ontstaat waarom er zoveel aandacht is voor eiwit van eigen land. “Niet alleen kost het aankopen van ruwvoer geld, maar er ontstaat ook steeds meer weerstand tegen import. Plus dat we de kringloop sluitend willen maken. Je zet de koe in zijn kracht door te laten grazen, een koe is de enige die gras kan verwaarden tot melk”, aldus Philipsen.

Voor loonwerkers liggen kansen in het accuraat aanleveren van gegevens, waardoor een melkveehouder via de KringloopWijzer inzichtelijk krijgt waar managementruimte zit. “Uit cijfers blijkt dat er soms twintig tot dertig procent verschil zit in het aandeel eigen eiwit. Ruwvoerteelt en ruwvoerbenutting zijn belangrijke sleutels."

"De hoeveelheid eiwitverlies in een kuil is mede afhankelijk van welk mengsel gras de boer heeft gebruikt. Bij een mengsel weidegras maak je een keuze op basis van smakelijkheid, VEM-gehalte en kroonroestresistentie. En bij maaitypes kijk je naar standdichtheid en levensduur. Goed graslandbeheer begint dus met welk type graszaadmengsel je adviseert. De volgende stap is goed bemesten en de mest tot waarde brengen. En  het juiste maaimoment bepalen. Help je klant door het drogestof gehalte te meten in de kuil. Niet alleen met cijfers kun je helpen voederverliezen te voorkomen, maar ook door laagsgewijs in te kuilen (lasagnekuil) en netjes uit te kuilen. Maar denk ook aan graslandvernieuwing, bandenspanning en ontwatering: klanten zullen je dankbaar zijn als je meedenkt over grasland- en bodembeheer. Zorg dat je een goede gesprekspartner bent en blijft.”    

Groeivoorspellingen

Sensoren gaan in de toekomst ook helpen, bijvoorbeeld bij het doen van groeivoorspelling en het inschatten van graslandopbrengst en het ruw eiwitgehalte. “Als loonwerker kun je dan adviseren over het maaimoment of beweiding. Dat klinkt nu nog spannend, maar dat zou in de toekomst betekenen dat je planning van jaarbasis naar dagbasis gaat.”

Philipsen ziet in de toekomst de rol van de loonwerker toenemen, maar daarvoor moet de communicatie met de klant goed zijn. "Bespreek vooraf met je klant wat hij de komende jaren wil bereiken. En evalueer dat ook. Ten tweede: Kijk samen of het grasland op orde is, want een goede grasmat loont." De loonwerkers hebben volgens Philipsen al geholpen om forse winst te maken op het voorkomen van inkuilverliezen, maar het kan dus nog beter.